STOF TOT NADENKEN

Kerst 2025

Als in een droom

Opa zoekt onrustig naar zijn bril. Hij kan niet zonder. Tenminste als het om lezen gaat. Hij staat voorzichtig op, leunt op zijn rollator en komt aarzelend in beweging. Hij kijkt even om of de bril misschien in de grote rookstoel ligt. Nee dus. Hij vervolgt zijn reis naar de slaapkamer, stopt halverwege het bed en gaat erop zitten. Een diepe zucht. Kortademig, want met één long kom je snel lucht tekort. Ook op het nachtkastje ligt zijn bril niet. Zijn dochter had hem nog aangeraden om twee brillen aan te schaffen, maar dat had hij geldverspilling gevonden.
Het was een uur of twee. De eenvoudige lunch had zijn weg al ruimschoots afgelegd, maar een bezoek aan het toilet was nog niet nodig. Geen bril en ook geen zicht op wat er deze dag nog verder zou gebeuren. Dan maar even languit op het bed. Zijn ogen voelden zwaar. Aan het geadviseerde middagdutje wilde hij ook vandaag eigenlijk niet toegeven. Maar nu had hij het gevoel daar wél aan toe te zijn. De dames van de verzorging kwamen pas na vieren met een slap bakkie thee en een krakeling. Een kwartiertje wilde hij zichzelf wel gunnen. Even wegdommelen om daarna weer met volle overgave op zoek te gaan naar zijn bril.
Daar lag opa dan. Zijn dutten ging over in slapen. Zijn ademen in snurken. Zijn werkelijkheid in een droom:

Het dikke pak sneeuw en de ijzige kou maakten het lopen er niet gemakkelijker op. Met zijn – ondertussen doorweekte – wanten probeerde hij zijn gezicht steeds schoon te vegen. Een klus van jewelste. De wanten had hij van oma gekregen. Zelf gebreid. Dat was ook een beste klus, want ze had al jaren last van reuma. Je kon duidelijk zien dat oma daardoor af en toe een steekje had laten vallen, want het patroon van de hertjes klopte op sommige stukjes niet. Het zweet stond hem op de rug. En dat bij een graad of tien onder nul. Moeder had verteld dat oma zich al een paar dagen niet lekker voelde en dat opa zich daarover grote zorgen maakte. Wat er precies met oma aan de hand was, wist moeder niet. Toch reden genoeg voor Geert om op bezoek te gaan. Zijn moeder kon niet mee en vader was nog aan het werk. Dan maar alleen. “Wel goed doorlopen, jongen. Het is al bijna donker en ik wil niet dat jou iets overkomt”. Bij het weggaan riep moeder nog: “Bel even als je aangekomen bent!”
Hij was er bijna. Twee keer helemaal uitgegleden en een keer of drie net niet. Maar je hebt wat over voor je oma. En je opa. Hoe vaak waren zij niet bij hem thuis geweest? Geen verjaardag van Geert hadden ze overgeslagen. Als hij griep had, stonden ze naast zijn bed. Met sinaasappels, zakken drop en een hand op zijn voorhoofd van oma. Met een peptalk en ferme kneep in zijn arm van opa. Trouw en altijd goed gemutst. Geen geklaag. Nooit chagrijnig.
Geert hoefde niet aan te bellen, want hij wist dat de achterdeur niet op slot zat. Typisch iets voor zijn grootouders: (n)u zijt wellekome. Plek genoeg. Kom binnen. Ga zitten. Hoe anders dan die herberg in Bethlehem. Jozef en Maria hadden gerust bij opa en oma kunnen aankloppen. Kindje Jezus in huis. Geen probleem. Hongerig en uitgeput? Een tosti en een glas melk. Hier, alsjeblieft. En een zacht bed.
Oma lag op de twijfelaar. Ze zag bleek en ademde snel en onrustig. De herdertjes lagen bij nachte in het veld. Zijn oma lag al een paar dagen en nachten in de logeerkamer. Geert pakte haar hand. Hij vond het best een beetje eng, maar was allang blij dat ze nog bewoog. Hij had zich op het ergste voorbereid, maar dit viel eigenlijk alles mee. Oma fluisterde: ”Dag lieve jongen. Mooi dat je er bent”. Geert wist niks terug te zeggen en drukte zijn hoofd tegen haar zij.
Hij moest zachtjes huilen. Niet van verdriet, maar van de spanning. Toch gebeurde er iets bijzonders: hoe langer hij haar hand vast hield, hoe rustiger ze werd. En hijzelf ook. Hij vond het fijn om zo bij z’n oma te zitten. Nu kon hij iets voor haar betekenen. Geen woorden? Dan maar daden.
Wat hoorde hij ineens? Vlakbij. Hiernaast. Geen zingende engelen. Wel bekende stemmen. Die van zijn vader en moeder. Ze klonken ongerust en zelfs een beetje boos. Opa stelde hen gerust door te zeggen dat hij, Geert, bij oma aan bed zat. De telefoon lag naast de haak en omdat Geert niet gebeld had om te zeggen dat hij goed bij opa en oma aangekomen was, waren zijn vader en moeder in aller ijl met de auto hierheen gereden. Zijn ouders kwamen de kamer binnen en omhelsden hem hartstochtelijk.

“Opa Ge-eert, wakker worden. Uw eten wordt koud”. Versuft doet opa zijn ogen open. Daar ziet hij, zonder bril, zijn twee kleindochters staan. Hij had ze een tijd niet gezien. Te druk met hun eigen leventjes, dacht hij regelmatig. En dat gunde hij hun van harte. Maar wat een verrassing dat ze er nu waren. Zo onverwacht. Ze zagen er verkleumd uit. Ze waren helemaal op de fiets gekomen. Tien en twaalf jaar jong. Bij een graad of zes onder nul. Ze hadden ook nog een fles berenburg voor hem meegenomen. “We hadden gewoon zin om weer even bij u langs te komen. U zult oma nog vast heel veel missen”, zei de kleine Emma. Opa moest zich bedwingen om niet te gaan huilen. Van verdriet én vreugde. Hij gaf ze allebei een stevige knuffel en neuriede zachtjes een lied dat nu ook zeker voor hem gold: “Midden in de winternacht ging de hemel open”. Een werkelijkheid waaraan niet getwijfeld kon worden.
Als in een droom…..

Klaas Boeijinga