MEDITATIE

Meditatie – uit Alleen Samen nr. 7, jaargang 2021

Een Goddelijke Gast
‘Waar denk je aan?’ vroeg de jonge vrouw zachtjes aan de oude man die peinzend in het vuur zat te staren. ‘Wat houdt je bezig?’
De man draaide zich langzaam naar haar toe. Een glimlach die wel van binnenuit leek te komen, verlichtte zijn gezicht. Hij begon helemaal te stralen en zijn ogen twinkelden van vreugde.
Op de achtergrond was vaag het geluid te horen van een groep mensen die druk met elkaar in gesprek waren, gelach en geroezemoes vulde de lucht. Het gebouw achter de man en vrouw straalde gezelligheid en warmte uit.
Maar het leek wel of zij beiden daarin een eigen bubbel zaten, daar, buiten bij het vuurtje, onder de donkere sterrenhemel.
‘Het is niet altijd zo geweest’, zei de man, terwijl hij met een hoofdbeweging naar de herberg achter hen wees. ‘Nee… nee, lange tijd was het heel anders. Lange tijd draaide het alleen maar om geld verdienen. Maar op een nacht, meer dan veertig jaar geleden, veranderde alles.’
Even was hij stil. Zijn gezicht betrok en hij verzonk weer in gepeins.
‘Vertel eens’, zei zijn kleindochter.

‘Het was in de tijd van de eerste volkstelling. Iedereen moest zich laten inschrijven in de plaats waar hij vandaan kwam. Hier in Bethlehem was het een drukte van belang. Het waren toptijden, en de herberg was goed bezet. Met man en macht waren we bezig om iedereen te voorzien van eten, drinken en een slaapplek. Ook in de stallen was elk plekje bezet, want veel mensen waren op hun rijdieren gekomen. Je grootmoeder en ik zaten net even uit te puffen en de taken te verdelen, toen er aan de achterdeur werd geklopt.
Een wat oudere man en een jonge vrouw stonden voor de deur en vroegen of er een plekje voor hen was. Ze zagen er erg sjofel en armoedig uit. Ik ging ervan uit dat zij geen geld zouden hebben voor de overnachting, dus wilde ik ze wegsturen. Zaken zijn zaken hè. Maar toen zag je grootmoeder dat de vrouw hoogzwanger was en ze verbood mij hen de deur te wijzen. Maar ja, de herberg zat helemaal vol, en ik wist dat dit in de hele stad het geval was. Ik heb ze toen maar verwezen naar één van de stallen iets buiten de stad. Te ver van het centrum om te gebruiken voor mijn gasten, maar met een half uurtje lopen goed te bereiken. Weet je, het voelde eigenlijk niet helemaal goed. Met wat moeite had ik misschien toch nog wel een plaatsje voor hen kunnen creëren, maar omdat ik dacht dat het arme sloebers waren, vond ik de stal al mooi genoeg voor ze.’
De man zweeg. Over zijn wang rolde een eenzame traan.

Na een poosje vervolgde hij zijn verhaal en vertelde dat de volgende middag de stad ineens in rep en roer was. Een groepje herders vertelde zo’n wonderlijke geschiedenis. Ze hadden die nacht bij hun schapen in het veld gewaakt, toen er plotseling een engel van de Heer verscheen. En deze had groot nieuws voor hen. Hij vertelde dat de Redder geboren was! Dat de Messias, de Gezalfde, gekomen was. En ze konden Hem vinden gewikkeld in doeken en in een kribbe. De herders konden het bijna niet geloven, maar opeens was er bij de engel een groot hemels engelenkoor geweest en zij zongen: ‘Eer zij G’d[1] in de hoge, en vrede op aarde, voor alle mensen!’
De herders waren op onder zoek gegaan en vonden de Messias. Als een weerloos kind geboren, bij kwetsbare mensen. ‘Het is toch niet te geloven’, zeiden ze, ‘G’d als Mensenzoon op aarde!’
Ik vroeg of ze de ouders konden beschrijven, en ze vertelden over een oudere man en een jonge vrouw. Ze heetten Jozef en Maria. En ze legden me uit waar ze hen hadden gevonden. Maar ik luisterde niet meer, ik wist al genoeg. Het kon niet anders, dit moest het armoedige stel zijn dat ik de vorige avond nog had weggestuurd. Maar ik kon toch niet vermoeden dat G’d bij zulke arme en eenvoudige mensen zou komen?
Ik besloot er heen te gaan. Maar wel met de nodige aarzeling. Zou ik wel welkom zijn? Ik had ze niet bepaald gastvrij behandeld. Ik had ze beoordeeld, veroordeeld, op hun uiterlijk. Was het dan niet een beetje vreemd dat ik nu zou komen om hun Zoon eer te bewijzen? Zouden ze mij wel willen ontvangen?
Maar je grootmoeder, een wijze vrouw, drong er op aan dat ik toch naar de stal zou gaan. ‘Ga maar naar binnen,’ zei ze. ‘Dit kindje is ook voor jou geboren.’
Ik ben gegaan. Ik heb geknield. Ik heb met verbazing en met verwondering gekeken naar dit weerloze kindje. En ik werd ontroerd en ben diep geraakt door zijn ogen, zijn heldere blik. Het leek wel of Hij tot op de bodem van mijn ziel kon kijken, en ik zag zoveel liefde in zijn ogen!
Het zette mijn leven op zijn kop, en sindsdien ben ik en is mijn omgeving totaal veranderd.

Mijn hart ging open, en ik beoordeel mensen niet meer op hun uiterlijk, op hun buitenkant. Nee, dit kleine kind heeft mij geleerd open te staan voor de mensen om mij heen. En daardoor ook open te staan voor de Eeuwige zelf, die als kwetsbaar kind op de wereld is gekomen. Ja, een Redder is ons geboren. Een Redder voor onze ziel, voor ons wezenlijke zijn. Een Bevrijder van angst, pijn en verdriet.
De kracht van zijn liefde, en daarmee de liefde van G’d, heeft mijn leven waardevol gemaakt. De redding van de Eeuwige was het antwoord op de zin van mijn leven.
Ik ben veranderd. Ik ben als het ware aangeraakt door G’d zelf. En daardoor is mijn hele leven veranderd. En sindsdien is ieder die bij onze Herberg van het Leven binnenkomt, van harte welkom, altijd en steeds weer.

Esther Pierik

Kerkelijk werker PG Oldemarkt
Kerkelijk werker PKN Scherpenzeel – Munnekeburen

 

[1] De Godsnaam schrijf ik op deze wijze, uit respect en verbondenheid met het Joodse volk dat deze Naam niet uitspreekt.