MEDITATIE

MEDITATIE TGV KERSTMIS 2019

Verlangen

Met een zucht streek het twaalfjarige meisje haar haren uit haar gezicht. Wat was het druk!

Sinds enkele weken geleden de boodschappers waren geweest met het bevel van de keizer dat iedereen zich moest laten inschrijven in zijn eigen stad, leek het wel of het halve volk Israël zich in liet schrijven in Bethlehem. Normaal gesproken was het een klein bergdorpje, waar nauwelijks iets gebeurde. Maar nu, … het leek wel het centrum van de wereld!

Voortdurend, dag na dag na dag, kwamen reizigers zich melden. Vermoeid van de lange reis  en vaak helemaal onder het stof, klopten zij aan de deur van de herberg en vroegen om een rustplaats. En het was verbazend voor hoeveel mensen er plaats was, maar nu zaten ze toch echt helemaal vol. Er kon werkelijk geen mens meer bij. Vader had al gemompeld dat zelfs als koning David nu zou komen, er geen plaats voor hem was in de herberg. Maar eerlijk gezegd hoopte zij dat er niemand meer aan de deur zou kloppen, want ze vond het moeilijk om nee te zeggen.

Gelukkig was het al bijna donker, de meeste reizigers hadden vast al een schuilplaats gevonden, buiten, in de velden of tussen de rotsen, of binnen bij de andere bewoners van Bethlehem. Vader deed juist de deur op slot en slofte weer naar binnen. Eigenlijk klopt het niet, dacht ze, geen plaats in de herberg. Terwijl een herberg toch juist bedoeld was om mensen te herbergen, een plaats te bieden waar ze veilig konden overnachten. Het was toch te gek voor woorden als je er goed over nadacht…

Hoe lang al was hun land in handen van de bezetter? Hoe lang al moesten zij zich voegen naar de nukken van de Romeinse soldaten? En hoe lang zal dit nog duren? Wanneer zou de verlosser komen, de Messias, naar wie zij zo verlangden? Wanneer zou de Eeuwige zelf ingrijpen en hen bevrijden? Wanneer? En hoe?

Deze vragen hielden haar dagelijks, en ook bijna elke nacht, bezig. Zelfs nu, nu het zo druk was en er zoveel te doen was, zelfs nu klonken ze in haar hoofd, in haar hart… Snel stond ze op om weer naar de keuken te gaan waar een grote pan op het vuur stond. Juist wilde ze op zoek naar nog meer kommen om soep in te schenken, toen er op de achterdeur geklopt werd. Zou dat haar verloofde Jaïrus zijn?

Enkele maanden eerder hadden vader en moeder gezegd dat zij haar wilden uithuwelijken aan Jaïrus, een jongen uit het dorp die graag rabbijn wilde worden in Kapernaüm. En eerlijk is eerlijk, ze wilde graag met hem trouwen. Al vond ze het moeilijk dat ze dan weg zou moeten uit Bethlehem. Weg van haar familie en vrienden, weg van haar vertrouwde omgeving. Al deze gedachten flitsten door haar hoofd terwijl ze naar de deur liep. Jaïrus en zij hadden afgesproken elkaar nog even te zien, voor hij naar Kapernaüm zou gaan, want ook zijn ouders moesten zich laten inschrijven in de stad waar zij vandaan kwamen.Vol verwachting en verlangen opende ze de deur.

Maar nee, het was niet Jaïrus, het was een reiziger. Een man alleen, die haar smekend vroeg of er nog een klein plaatsje was in hun herberg. En juist wilde ze zeggen dat dit echt niet ging lukken, toen ze in het donker een stem hoorde vragen: “Jozef, kan ik alsjeblieft uitrusten, ik kan echt niet meer.” En turend in het donker zag zij een jonge vrouw zitten op een ezeltje. Langzaam kwam de vrouw wat dichterbij en nu kon zij duidelijk zien dat ze hoogzwanger was. Snel dacht ze na. In de herberg was echt geen plaats meer, hoezeer het haar ook speet. Maar ze kon het niet over haar hart verkrijgen deze mensen weg te sturen, de donkere nacht in. Wat kon ze doen? Wat kon ze voor hen betekenen? Hoe kon ze voor hen een naaste zijn? In de verte hoorde ze het blaffen van een hond, en het geblaat van enkele schapen. En ze besloot haar gasten naar de stal te verwijzen, waar deze nacht waarschijnlijk geen dieren zouden zijn. Daar zou ze hen kunnen herbergen.

Het was enkele uren later. Het meisje lag uitgeput op bed, te moe om te slapen. In haar gedachten ging ze nog eens langs de gebeurtenissen van de afgelopen dag. Nadat ze klaar was met haar werk, had ze nog wat doeken en een kan met water gebracht naar de grot waar ze haar laatste gasten had ondergebracht. De vrouw had haar een vermoeide maar dankbare glimlach geschonken, en stilletjes had zij zich weer omgekeerd en was weggegaan.

Nu lag ze al een tijdje op bed maar het lukte haar niet om de slaap te vatten. Zachtjes stond ze op, vermeed de krakende planken, en opende het luik voor het raam. Buiten was het donker, op één enkele zeer heldere ster na. Het leek wel of die ster precies boven de stal stond, maar dat kon natuurlijk niet. Of wel? Opeens leek het lichter te worden. Hoewel het nog steeds midden in de nacht was, kon ze duidelijk de huizen in de straten zien. Het was of er een groot vuur in de hemel brandde. Net als in de verhalen van Mozes, toen het volk uit Egypte werd geleid, en een vuurkolom hen ’s nachts de weg wees.

Zonder aarzelen trok ze haar jas aan en ging naar buiten. Daar hoorde zij zo’n prachtig gezang, dat had ze nog nooit meegemaakt, maar het maakte diepe indruk. Het leek wel of haar voeten vanzelf de weg vonden, en al snel was ze buiten in de velden van Efratha, waar zij een groot engelenkoor hoorde zingen: ‘Ere zij G’d in den hoge, en vrede op aarde bij mensen des welbehagens’. Ze was juist op tijd om zich aan te sluiten bij een groepje herders die volgens aanwijzingen van een engel op weg gingen om de Heiland, de Heel-maker, te zoeken, die in doeken gewikkeld in een kribbe zou liggen. In doeken gewikkeld? In een kribbe? Een voederbak voor dieren, zoals dat in de stal stond?Het zal toch niet? Of misschien?

Zo vlug ze kon rende het meisje vooruit naar de stal waar zij eerder op de avond Jozef en Maria had achtergelaten. Haar weg werd verlicht door diezelfde heldere ster, die zij ook eerder al had gezien. Hijgend kwam ze aan, even aarzelde ze nog voor ze naar binnen ging, maar toen ze voorzichtig om het hoekje keek, keken drie paar stralende ogen haar aan, en nodigden haar dichterbij te komen. Daar lag het kindje, gewikkeld in de doeken die zij had gebracht. Onschuldig en weerloos. Maar gewapend met G’ds eigen wapenuitrusting: zachtmoedigheid, nederigheid en geduld.

En in een zwijgend uitwisselen van gedachten met Maria wist ze: Dit kind is het antwoord van G’d op de vraag van het verlangen naar vrede en recht. Het verlangen dat al eeuwen oud is. Het krachtige verlangen dat ons in beweging zet, in staat stelt tot dingen die wij nooit van onszelf gedacht hebben. Het verlangen om verbonden te zijn met G’d, de Ander met een hoofdletter, en met de anderen om ons een. Dit kind is het antwoord van G’d.

Esther Pierik, kerkelijk werker